Opstaan van de grote tafel in de teamkamer.
Lopen naar de koffie-automaat.
Kiezen voor café au lait, half zakje suiker.
Denken: het zijn altijd dezelfden die te lang blijven zitten,
daar hebben we toch afspraken over gemaakt.
Lopen naar de klas over de kleurige gang.
Binnengaan bij de oranje deur.
Denken: ik heb nu alweer honger.
Staan in de deuropening.
Afvragen of Marieke vandaag wél drinken bij zich heeft.
Kijken in de kast of er nog pakjes drinken zijn.
Staan in de deuropening.
Hopen dat Jerry vandaag door zijn moeder gebracht wordt.
Denken aan de keren dat hij door zijn broer werd gebracht.
De norse gezichten.
het geduw en getrek,
het vechten op de gang.
Weten dat het dan een moeilijk dag voor hem wordt.
Weten dat het dan een moeilijke dag voor mij wordt.
Staan in de deuropening.
Uitwisselen van nietszeggende opmerkingen met mijn collega.
“Zo.”
“We zijn er weer klaar voor.”
“Laat ze maar komen!”
Er niet rouwig om zijn dat zij volgend jaar naar een andere school gaat.
Het geluid van de bel, heel hard, en van de deuren die opengaan.
Staan in de deuropening.
Horen: “Juf!”